De Bond voor Domme Mensen – door Ben Voorend

/, Korte verhalen/De Bond voor Domme Mensen – door Ben Voorend

De Bond voor Domme Mensen – door Ben Voorend

eigen foto 😉

Daar zat-ie dan. Op een plastic klapstoel naast een uitklapbaar campingtafeltje in een verder kale kamer in de Bijlmer. Op het vaalblauwe tafeltje een zwarte thermoskan en een plastic bekertje. Hangende schouders en sombere bruine reeënogen in een nu eveneens vaal getint gelaat dat, toen het nog strak stond, voor knap doorging, maar nu ontsierd werd door groeven van bitterheid en rimpels van zorgen.
Pé had de Bond voor Domme Mensen opgericht en de publiciteit gezocht. Redacties van kranten, radio- en televisieprogramma’s waren benaderd. Méér media had je toen nog niet, anders had het misschien nog wat kunnen worden. Want grote groepen mensen waren destijds écht niet snuggerder dan de vele dommeriken op social media tegenwoordig. Eén sensatieblad wijdde er een artikel met foto aan. Met de nodige spot overigens, dat wel.

Pé was berooid. En Pé was teleurgesteld. Erg teleurgesteld. In alle denkbare overheden, terwijl teleurstelling in zichzelf meer op haar plaats was geweest. Maar zijn ego liet die reflectie niet toe.

Pé deed allemaal niet zo moeilijk over het leven. En waarom zou-ie? Hij zag er goed uit en werkte als jongeman dan eens hier, dan eens daar in de Amsterdamse horeca. Het verdiende goed en hij hing graag de gevierde jongen uit. Hij was als jazzliefhebber regelmatig te vinden in het BIM-huis, waar hij gul zijn geld liet rollen en platen kocht van optredende muzikanten. De volgende dag was al zijn geld verbruid, maar so what? Gewoon weer een avond werken en er was weer geld.

Pé was naast gemakkelijk, óók goedgelovig. Of misschien is gemakzuchtig het juiste woord.
En precies dát werd hem noodlottig.

Hij raakte rijk getrouwd, wat hem in staat stelde zijn eigen café te openen, een zwak verlicht, donker mahoniehouten hok. Mét nachtvergunning. Zodoende leerden wij hem kennen: als ons café sloot hadden wij altijd nog een uur werk vóór we klaar waren. Dan was er mooi nog een uurtje om een slok bij Pé te gaan halen. En daar was in het weekend altijd wat te doen. De laatste twee uur dan. Want als alle cafés dicht gaan dan begeeft zich een allegaartje naar de cafés die nog open zijn. Alleen op avonden dat hij een jazz bandje had spelen was het er al vroeg druk.

Maar Pé begreep nog steeds niks van geld. Halverwege de avond, of tegen sluitingstijd, afhankelijk van de tot dan geïncasseerde omzet, stapte hij achter de bar en haalde, duidelijk zichtbaar en met een air van succesvol horecaondernemer, het meeste papiergeld uit de lade, stopte dat in de binnenzak van zijn colbert en verdween richting Leidseplein om het daar uit te geven en te verkwanselen met back gammon. Afrekenen en afsluiten liet hij over aan zijn twee barmensen, die niet te betrappen waren op onjuistheden met afrekenen, maar van wie ik steeds het vermoeden had dat zij heel goed wisten hoe zij hun fooi konden opkrikken ten koste van de omzet. Want als het op betalen van personeel aankwam, was Pé wel weer erg op de penning, zeg maar gierig.
Pé creëerde zo zijn eigen personeelsprobleem. Goed en betrouwbaar personeel werkte nooit lang bij hem, hooguit drie, vier maanden. Op een gegeven moment nam hij Adrie in dienst, een beetje zielige jongen die het niet kon winnen van zijn heroïneverslaving. Pé liet hem anti-kraak gratis op een kamertje boven het café wonen en als tegenprestatie stond Adrie voor niks achter de bar! Simpele Pé.

Pé zocht hulp bij zijn administratie, maar vond een boekhoudkantoor te duur. En toen waren daar ineens twee broers uit Brabant, notoire natnekken van het stille soort, die de boekhouding wel zouden regelen voor Pé. Zij waren de enigen die ik ooit zelf een gat heb zien slaan in mijn voorraad Westmalle tripel: de één sloeg er negen(!) op een middag naar binnen en de ander kreeg zijn achtste niet helemaal leeg. Bierkenners weten waar ik het over heb. Met de armen om elkaars schouders hielden zij zich als verzadigde dweilen in lange beige overjassen overeind toen zij zwalkend het café verlieten. Zij waren uiteraard ’s avonds vaak te vinden in het café van Pé, want daar dronken zij tegen inkoopprijs en dat scheelt een slok op een borrel. Om hun staat van ontreddering aan te geven: midden in dat donkerbruine, bijna zwarte café stond een dragende pilaar met lambrisering eromheen, waarop mensen hun lege glazen konden zetten. Ik was er eens bij dat op een drukke avond deze broers meehielpen om met sluitingstijd iedereen eruit te bonjouren. Dat ging behoorlijk onvriendelijk, mensen kregen niet eens tijd om hun biertje op te drinken. Maar ik had als ‘collega uit de buurt’ nog juist het laatste biertje getapt gekregen van Cees achter de bar en werd met rust gelaten.
De tent was leeg. Nog even naar de wc voor ook ik verder zou gaan naar een gelegenheid die nóg langer open was. Loop ik om die pilaar heen, zie ik daar die twee alle restjes bier uit de verzamelde glazen lurken!

Pé is drie keer failliet gegaan. De eerste keer sprong zijn schoonfamilie nog gewoon bij. De tweede keer tastte de schoonfamilie ook nog in de buidel, maar liet deze geste vergezeld gaan van de echtscheidingsformulieren van zijn vrouw.
Pé was gevloerd, maar niet gebroken. Hij deed een beroep op allerlei ‘oude vrienden’, buren en schuldsanering en maakte een doorstart. Hij ging nu ook overdag open, hopende op toeristen en dagjesmensen. Niet dus. Die liepen dat duistere gat voorbij.
Toen moest de keuken de kar trekken. Hij begon met een kleine kaart met uitsmijters, diepvries hotdogs en broodje hamburger, al of niet met patat. Hamburger en patat waren een kwartje goedkoper dan bij de snackbar dertig meter verderop, want hij wilde concurrerend zijn en er publiek mee naar binnen trekken. Bestelde iemand een hamburger, dan spoedde Pé zich naar de snackbar en kocht er een ‘dure’ hamburger voor zijn klant en legde er zelf dus geld op toe.

Ook nu groeide de schuldenlast hem boven het hoofd. Hij ging wéér failliet. De zaak werd verkocht om de schuldeisers af te betalen en Pé bleef berooid achter.
Hij klopte aan bij uitkerings- en hulpinstanties, maar stootte keer op keer zijn neus. Hij was namelijk ook geen administratief licht. De formulieren die hij moest invullen waren te moeilijk en financiële gegevens kon hij niet (meer) ophoesten.
Nee, Pé begreep het eigenlijk allemaal niet zo.

Van de BvDM heb ik verder nooit meer iets vernomen. Zal óók wel te ingewikkeld geweest zijn.

 

© Ben Voorend           26/04/2019

 

Wilt u reageren op dit bericht? Gebruik dan de optie ‘Geef een reactie’ hieronder.

NB
Uw mailadres, nodig om de reactie te versturen, wordt niet zichtbaar weergegeven en blijft expliciet alleen bekend bij het Nederlands Blog Initiatief. Hierop is de Algemene Verordening Gegevensbescherming van toepassing.

Uw reactie wordt niet direct weergegeven; deze wordt eerst beoordeeld door het Nederlands Blog Initiatief.

Door |2019-04-29T08:17:59+00:0026/04/2019|Ben Voorend, Korte verhalen|0 Reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Wij gebruiken cookies. Wijzig uw cookie-instellingen of klik op ‘Accepteren’ als u verder wilt gaan. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies' om u de beste surfervaring te bieden. Wilt u verder gaan op deze website, wijzig dan uw cookie-instellingen of klik op ‘Accepteren’ om aan te geven dat u akkoord gaat met deze instellingen.

Sluiten