Het aanzoek (slot) – door Ben Voorend

/, Korte verhalen/Het aanzoek (slot) – door Ben Voorend

Het aanzoek (slot) – door Ben Voorend

Hoofdstuk 11

‘Afblijven! Dat graf is van mij.’
Geschrokken kijkt Frans op. Achter hem staat Claasje. Verstijfd van woede, met tranen in felle ogen.

Na de thee vanmiddag had hij veel om over na te denken. Een rondje óm na het avondeten bracht hem zomaar naar het graf van Claas Westkamp op het kerkhof. Alsof hij daar iets kon vinden. Woorden, die Claasje wilde horen. Wist hij maar wat zij bedoelde.
Hij zakte op één knie om een klein stronkje van die ellendige springklaver juist naast het graf uit de grond te trekken. Dat moest je snel de kop indrukken, want voor je het wist overwoekerde het spul het hele graf en kreeg je het nooit meer weg.
‘Wat dóe je hier? Wat doe je bij mijn man?’
Frans komt overeind.
‘Ik eehh…ik weet het eigenlijk niet. Ik was hier ineens. Nadenken, denk ik. En toen zag ik onkruid en heb dat weggehaald.’
Claasje kijkt naar het graf. Het ligt er nog altijd mooi bij, ofschoon de laatste maanden haar wekelijkse bezoekje er af en toe bij inschoot. Langzaam ontdooit ze. Hij bedoelt het goed realiseert ze zich. Wil óók dat het graf van mijn Claas er mooi bij staat.
Frans ziet de verandering in haar houding.
‘Je hebt vast veel van hem gehouden, hè?’
Ze knikt met nog een nasnik en snuit haar neus. Frans kijkt haar onderzoekend aan.
‘Ik laat je maar alleen. Ik ga nog even verder.’
Claasje knikt en draait haar hoofd weg.
‘Dank je’, zegt zij nog tegen zijn rug.

‘Nou, lieve zus,’ zegt Theo Voorn tegen haar, ‘als ik jou zo hoor, dan heb je misschien wel een goede partij aan die Frans. Bloemen en planten voor de veiling op deze plek? Met volgend jaar hier een treinstation? Pientere kerel. En ondernemend.’
Voorzichtig zet hij zijn halfvolle kop thee terug op het schoteltje en neemt een hap van het koekje dat Claasje erbij had geserveerd.
‘Mmm…heerlijke koek. Van De Lindeboom?’ Hij bestudeert het ding eens goed. ‘O, kijk, het zijn er eigenlijk twéé, met iets ertussen, een soort crême of zo. Lekker hoor. Moest ik misschien ook maar gaan verkopen. Ik zal er zo dadelijk eens aan gaan. Ben benieuwd wat ze mij kosten.’
Claasje zucht. Wát had ze nou eigenlijk van haar broer verwacht? Is uiteindelijk gewoon óók een man. Wat weet hij er eigenlijk helemaal van?
‘Maar over die Frans. Hendrik en Anna zijn dol op hem. En kinderen hebben een vader nodig.’
‘Tja…nou…ik weet niet…’
‘En hoe zie je jouw toekomst? Je redt het net aan met je garenwinkeltje en je wasserij. Maar wát als je ziek wordt? Of je kinderen? Nee, ik zou voor die Frans gaan, geloof ik.’
‘Daar gaat het niet om Theo.’
‘O?’
‘Nee. Voor mij niet. Tenminste, niet alléén.’
‘Ik begrijp je niet.’
‘Nee, dat dacht ik al. Hoe zou je dat ook kunnen snappen?’
‘Probeer het eens Claasje. Probeer het mij eens uit te leggen dan.’
‘Ik ken hem nog maar kort en weet niet veel van hem. Hij zegt zelf dat hij soms heel boos kan worden. Dat vind ik wel een beetje eng. Dat deed Claas nooit…’
‘Nee, maar die was ook altijd ziek.’
‘En waar is het hem om te doen? Misschien wil hij alleen maar dat stuk land. Bij Stofberg lopen verschillende meiden die hem wel willen, ik zie ze heus wel langskomen hier over de Bozenhove.’
‘Claasje, Claasje, wat haal je je toch in je hoofd!? Voor mij is het duidelijk dat hij geen interesse heeft in die anderen. Zie je dat dan niet?’
‘Ja, misschien wel…ik weet niet.’
‘Nou, ik ga weer verder. Werk wacht en ik wil nog even aan bij mevrouw Doesburg van De Lindeboom voor die koek.’
Hij staat op en trekt zijn jas aan. ‘Denk er nog maar eens over na. Die Frans is geen slechte partij, volgens mij.’
‘Zal ik doen, broerlief. Dankjewel. Doe je de groeten aan Janna thuis?’

Hoofdstuk 12

Frans kwam niet terug op het voorval op het kerkhof toen hij die dinsdag zijn wasgoed ophaalde en Claasje begon er ook niet over. Zij had opgezien tegen zijn komst en was blij dat zij desondanks de verleiding wist te weerstaan om oogcontact te vermijden. Zou dat voor hem ook gelden? Hij keek haar wel onafgebroken aan en volgde haar met zijn bruine ogen. Had zij nou een zweem van onzekerheid gezien in zijn blik? Ze wist het niet. Ze was niet zeker over haar waarneming.
Op zíjn beurt probeerde Frans ook Claasjes ogen te lezen. Hij zag dat zij gespannen was. En dat zij hem desondanks rustig en zakelijk te woord stond.
Wat een sterke vrouw. Bewonderenswaardig. Precies een vrouw naar mijn hart, ging het door hem heen. Wat een verschil met die malle Marietje bij Stofberg. Die wordt steeds opdringeriger. Schaamteloos. En de verhalen die ze rondstrooit! Hij hoort ze nu ook bij Kaatje Hak aan de toog. Zij zouden al nadenken over een verloving. Het idee alleen al zeg.
‘Nou, tot zaterdag maar weer’, was het afscheid nadat hij veertig cent had uitgeteld en zijn plunjezak met schoon wasgoed aangenomen.
‘Ja, tot zaterdag.’

In gedachten was Frans naar buiten gestapt en stak de straat over.
‘Dag meneer Frans! Kijk! Ons rolwiel doet het weer helemaal goed, hè Toontje?’ Het was Hendrikje die verderop met zijn vriendje speelde. ‘Ja meneer, hij is weer helemaal goed. Dank u…’
Plotseling een luide schreeuw en paniekerig gehinnik van een paard rechts van Frans.
‘Huu, hoo, help!’, de groenteboer hield het beest niet meer. Het sloeg met kar en al op hol en was al dicht bij Frans. Zou hem zo overrijden. Of de kinderen. Frans bedacht zich geen moment. Liet zijn plunjezak vallen en wachtte het juiste moment af. Dit kende hij nog wel, van vroeger, met Dirk in de manege van Nijenrode als veulens van hun moeders gescheiden moesten worden. Op het juiste moment deed hij snel een stap naar voren, gooide zijn rechterarm om de nek van het beest en ramde zijn linker duim en wijsvinger in de beide neusgaten. Vijftien meter sleepte het paard hem zo mee, maar had toen geen asem meer. Enkele meters voor de spelende kinderen, kwam het paard tot stilstand.

‘Rustig maar, beestje. Kalm maar.’ Frans aaide het paard en sprak zachtjes terwijl hij zijn duim en vinger uit de neus haalde en het beest weer kon ademen. Nog onrustig bleef het dier nahijgen. Uit voorzorg hield hij nog wel zijn arm om zijn nek en streelde het beest over de kop, boven de neus. ‘Jaa, rustig maar. Rustig maar.’
‘Ik weet niet wat er gebeurde hoor, echt niet, maar ineens sloeg-ie op hol. Misschien een hoornaar of zo, met z’n gemene steek. Ik weet het niet.’ De groenteboer keek hem met grote geschrokken ogen aan. ‘Maar bedankt!’, en kijkend naar de twee angstige kinderen, ‘ik moet er niet aan denken…’
‘Hendrik! Dirkje, Hendrikje! Alles goed met jullie?’ Claasje kwam naar buiten gerend. Pas toen werd de schrik de kinderen te veel. ‘Mama, mama’, huilde Hendrikje en samen met Toontje liet hij zich in de armen van zijn moeder vallen.
‘Kom maar even mee naar binnen, dan zal ik jullie tranen drogen en misschien heb ik nog wel een lekker koekje, ergens.’ En tegen de toegelopen Anna: ‘Anna, loop jij even naar Toontjes moeder en vraag haar of ze even naar ons komt.’ Haar lijkbleke gelaat stond in schril contrast met haar ferme optreden, merkte Frans op.
‘Of lusten de kinderen misschien een lekkere grote appel?’, vroeg de groenteboer, blij dat hij iets kon doen. ‘Hier neem maar mee. Voor de schrik.’
‘Dank je wel Frans, dank je wel. Ik had me geen raad geweten…Ik neem je was wel weer mee. Die moet opnieuw gewassen worden. De kar is eroverheen gereden.’
‘Nou och, valt wel mee denk ik.’
‘Nee, láát mij nou maar. Ik wíl het doen.’ Strijdbaar streek zij een haarlok uit haar bleke gezicht.
‘Goed dan’, zegt Frans en loopt door naar de overkant onder gelukwensen en schouderklopjes van een tiental toegestroomde buren. ‘Bedankt Frans! Goed ingegrepen jôh! Goed werk Frans!’ Hij hoort het allemaal en reageert ook wel, maar is er toch niet helemaal bij. Het is Claasje die hem bezighoudt.

Hoofdstuk 13

Zijn actie deed de ronde in het dorp. Op weg naar de werf de volgende ochtend werd hij meerdere malen aan de hoed getikt. Iedereen leek hem ineens te kennen en te willen groeten. En Catsburg claxonneert feestelijk twee maal als hij Frans passeert met de omnibus.
Op de werf moet er gewerkt worden. Toch vindt iedereen even tijd om hem te feliciteren met zijn actie.
Om 10 uur komt Stofberg zelf de loods in. Hij zoekt Frans.
‘Goeie actie Frans. Wil je om drie uur vanmiddag even naar kantoor komen?’

‘Op kantoor komen, hè? Wat zou dat betekenen? Misschien ga je wel meer verdienen. Of misschien word je voorman. Dan zou je ook meer verdienen. Kan je eindelijk trouwen.’ Marietje buigt zich over hem heen om zijn bord weg te nemen. Haar borsten rusten nu op zijn schouder. ‘Ik zou wel met je willen trouwen hoor,’ zegt zij zacht, ‘zo’n stoere, knappe man als jij wil ik wel. Daar zou ik wel kinderen van wi…’
‘Vergeet het maar Marietje. Zet dat idee maar uit je hoofd. En geef me nog maar een pannenkoek. Ik moet zo weer aan de bak.’ Frans houdt zich nog in. Wat een dom wicht. Nee, dan Claasje. Die zit nu de hele tijd in zijn hoofd.

Om drie uur stipt klopt Frans op de deur van het kantoor.
‘Binnen!,’ hoort hij de stem van Stofberg.
Frans opent de deur. In het kantoor staat, recht tegenover de deur, een groot bureau. Groot genoeg om er tekeningen van schepen op uit te spreiden, gaat het meteen door hem heen. In de hoek een ronde kachel. Achter het bureau een grote boekenkast van donker eiken met mappen. Voor facturen, denkt Frans, en naslagwerken of zo.
Aan het bureau zit Gijsbert Stofberg met naast zich zijn broer en mede-eigenaar Willem. Da’s bijzonder, denkt Frans, díe zie je niet vaak op de werf. Naast Willem een heer van middelbare leeftijd, keurig kapsel, snor en knap in het pak. Hij straalt milde autoriteit uit. Aan de korte zijde rechts van hem een oudere man in de kledij van een bureelman, pen in de hand en inktpot met vloeistempel
‘Dag Frans. Ga zitten’, zegt Gijsbert vriendelijk en wijst op een fauteuil voor het bureau.

‘Frans, jouw heldhaftig optreden van gistermiddag is als een lopend vuurtje door het dorp gegaan en heeft óók de geachte heer (Gijsbert draait een halve slag naar rechts) Fernhout bereikt, burgemeester van Mijdrecht. Meneer de burgemeester, mag ik u het woord geven?’
‘Ja, ehhm, Wiegmans is het toch, nietwaar? Frans Wiegmans? Ik vraag dat nog even voor de duidelijkheid, zodat onze gemeentesecretaris ons gesprek correct kan weergeven in het verslag.’ Hij duidt op de schrijvende bureelman.
‘Welnu, mijnheer Wiegmans, u en ik, wij hebben elkander nog niet eerder ontmoet.’
‘Nee mijnheer.’
‘U bent niet van hier als ik juist ben geïnformeerd?’
‘Klopt, mijnheer. Ik kom van Breukelen.’
‘Dan wil ik u bij dezen hartelijk welkom heten in deze mooie gemeente. In deze tijden van oorlog aan de grenzen van ons vaderland en economische groei hier te lande, kunnen wij mensen als u goed gebruiken. Zij kunnen een voorbeeld zijn voor anderen.’
‘Dank u wel mijnheer.’
‘Mocht u in de toekomst hulp kunnen gebruiken vanuit het gemeentehuis, schroom dan niet om contact op te nemen met de heer Van Zwierik, onze gemeentesecretaris hier aanwezig.’
‘Graag mijnheer. Dat zal ik zeker doen.’
‘Nu, goed dan,’ de burgemeester knikt naar Gijsbert, die van de stoel naast hem een chique kistje pakt en aan de burgervader overhandigt, ‘dan doet het mij genoegen u, mijnheer Wiegmans, deze blijk van waardering voor uw optreden van gisteren aan u te overhandigen. Dat u er maar van mag genieten.’
Frans neemt het kistje aan en opent het. Een fijne driedubbelgebeide graanjenever! Die komt bij de gewone man niet op tafel.
‘Dank u wel mijnheer, dat is te veel eer. Ik deed gewoon wat ik moest doen.’
‘Kom kom, mijnheer Wiegmans, niet zo bescheiden. U heeft het dubbel en dwars verdiend. Driedubbel en dwars als ik mij een woordgrapje mag veroorloven.’ Hij lacht er minzaam bij.
‘Nou, dank u wel dan. Ik zal er zeker zuinig op zijn.’
De burgemeester staat op, ten teken dat het onderhoud is afgelopen. De rest volgt zijn voorbeeld.
‘Mijne heren Stofberg, u treft het met zulk personeel. Wees er zuinig op. En, mijnheer de gemeentesecretaris, heeft u alles kunnen noteren? Ja? Mooi. Dan gaan wij ons ten stadhuize begeven voor bestuurlijke zaken. Gegroet, u allen.’

Frans wil achter de burgemeester aan het kantoor verlaten, maar Gijsbert gebaart hem nog even te blijven.
Als de burgemeester uit zicht is geeft Willem Stofberg hem nóg een fles jenever, dubbelgebeide.
‘Het is altijd goed om met de burgemeester op goede voet te staan. Wij hebben hier óók profijt van. Vandaag leggen we het werk om vijf uur stil. Laat jij deze fles dan maar rondgaan. We hebben wat te vieren. En als je dan vanavond thuis bent, steek er dan maar eens eentje van deze op’, hij draait zich naar Gijsbert, die hem een kistje fijne bolknaks aanreikt. ‘Echte Heesterbeekse bolknaks uit Brabant. Je hebt het verdiend.’

Hoofdstuk 14

‘Meneer Frans, meneer Frans! Ik heb een tekening voor u gemaakt. Kijk maar.’
‘O, waarom dan?’
‘Omdat ehh…,’ Anna kijkt even naar Claasje, ‘omdat u Hendriks leven gered hebt, zegt mama.’
‘O, laat eens zien dan. Wat heb je getekend?’
Anna laat hem een blaadje zien waarop zij een kinderpaard heeft getekend met een soort mensfiguur ernaast en een paar spelende kindjes. Alleen het rolwiel is goed herkenbaar.
‘Ach, wat mooi! En dat heb je helemaal alleen voor mij gemaakt?’
‘Toontje Westerbos van de bakker heeft ook geholpen. Hij heeft die kindjes getekend. Dát is Hendrik en dát is hij zelf.’ Zij wijst met haar vingertje de kindjes aan. ‘Hij vindt u ook aardig.’
‘Ga nou maar weer even naar achter Anna, meneer Frans komt hier voor zijn boodschappen.’
‘Is goed mama. Dáág meneer Frans.’
‘Nou, ik kom hier niet alléén voor mijn boodschappen, Claasje. Dat weet jij ook wel.’
Claasje kijkt hem recht in de ogen. ‘Zullen we het daar morgen over hebben?’, houdt zij af.
‘Dat is goed’, schikt Frans zich. ‘Hoeveel ben ik je schuldig?’
‘Alleen dat pakje tabak. 25 cent dus.’
‘Niets voor de was?’
‘Nee, dat is dit keer voor mijn rekening. Als dank.’

De volgende dag lopen Claasje en Frans na de middagdienst samen terug naar haar woning. De kinderen huppelen vooruit. Frans vertelt over zijn jeugdvriend Dirk, van wie hij de paardentruc leerde, over het leven thuis op de boerderij, zijn aanvaring met Brandsma op het landgoed Queekhoven, zijn vertrek uit Breukelen en zijn leven bij oom Frans.

‘Je hebt mij al veel verteld Frans, over je leven’, zegt Claasje terwijl ze de thee inschenkt. ‘Over mijn leven valt eigenlijk niet zoveel te vertellen. De eerste jaren naar school en thuis helpen op het land. Via mijn broer Theo kwam ik hier te werken in de winkel van De Lindeboom. Daar leerde ik Claas kennen, mijn man. Die werkte bij het spoor. Als rangeerder van locomotieven en kolenleurder. We trouwden, maar al snel werd hij ziek. Hij was altijd ziek. Och, wat had die man altijd een pijn. De dokters konden niets vinden. Hij heeft lang in het ziekenhuis van Vinkeveen gelegen. Twee jaar geleden overleed hij.’ Er staan tranen in haar ogen nu. Snel snuit zij haar neus in een zakdoekje.
‘Het was zo’n goede man, maar hij kón zo weinig. Soms ging het een tijdje goed en kon hij de kinderen velen. Maar nooit voor lang.’
Frans zwijgt.
‘Hij was goed voor mij. Het deed hem verdriet dat hij zo bedlegerig was en ik alles moest doen.
Jij bent óók een goed mens, Frans, dat kan ik wel zien. Maar wil je nou met mij trouwen om het stuk land hierachter? Of wil je met mij trouwen om mij? Dat wil ik zo graag weten.’
O, is dát het, gaat het door zijn hoofd. Denk nou even goed na vóór je wat zegt. Dit is belangrijk.
‘Nou?’, dringt Claasje aan.
‘Kijk, ik zal jouw Claas niet kunnen vervangen. Maar ik kan wel een goede man voor je zijn. En voor je kinderen. Jij viel mij tien maanden geleden al op, toen je in Vinkenveen instapte in de omnibus van Catsburg. Ik was op weg naar mijn oom om daar op de boerderij te gaan werken. Later zag ik je weer in de kerk, met collecteren. Met je kinderen, maar altijd alleen, en hoorde dat je weduwe was. Toen ik op de werf van Stofberg kon werken moest ik weg van de boerderij. Door toeval kwam ik tegenover jou te wonen. Dat ging malen in mijn kop. Toen ik het bleekveld achter je winkel zag, zag ik daar meteen mogelijkheden. Voor ons. Zodoende.’
Frans zwijgt en kijkt Claasje aan.
‘Nou, wat vind je ervan?’
Claasje kijkt hem secondenlang aan.
‘Dan moesten wij maar samen verder gaan Frans, ik heb er wel vertrouwen in. Nog een kopje thee?’

De trouwplechtigheid vond plaats op 18 augustus 1916 bij het kleine altaar in de Johannes de Doperkerk en kostte 6 gulden, het vierde-klastarief. Pastoor Beverborg hield daarvoor zijn gewone dagelijkse kazuifel aan en stak twee weer mooi opgelapte kaarsen aan.

© Ben Voorend       18/05/2020

Wilt u reageren op dit bericht? Gebruik dan de optie ‘Geef een reactie’ hieronder.

NB
Uw mailadres, nodig om de reactie te versturen, wordt niet zichtbaar weergegeven en blijft expliciet alleen bekend bij het Nederlands Blog Initiatief. Hierop is de Algemene Verordening Gegevensbescherming van toepassing.

Uw reactie wordt niet direct weergegeven; deze wordt eerst beoordeeld door het Nederlands Blog Initiatief.

 

 

Door |2020-07-04T18:25:17+00:0004/07/2020|Ben Voorend, Korte verhalen|2 Reacties

2 Comments

  1. Rita Voorend 08/07/2020 om 16:39 - Antwoorden

    Is dit een waargebeurde familiegeschiedenis?
    Mooi geschreven Ben. Ik waande me in de omnibus door de omgeving.
    Groet. Rita

    • Ben Voorend 14/07/2020 om 21:59 - Antwoorden

      Dank je Rita. Het hele verhaal is verzonnen. Alleen de formulering van het aanzoek is origineel en de namen Frans Wiegmans en zijn jongste broertje Nard zijn echt. Frans was de oudste broer van mijn opa Wiegmans naar wie ik vernoemd ben (Nard = Bernardus). Verder zijn de gebruikte Mijdrechtse namen wel van mensen die daar in die tijd leefden en werkten. Ook de broer van Claasje, Theo Voorn, heeft echt geleefd en was ook echt kruidenier in De Kwakel. Zijn winkel is nog niet zo lang geleden gesloopt.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Wij gebruiken cookies. Wijzig uw cookie-instellingen of klik op ‘Accepteren’ als u verder wilt gaan. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies' om u de beste surfervaring te bieden. Wilt u verder gaan op deze website, wijzig dan uw cookie-instellingen of klik op ‘Accepteren’ om aan te geven dat u akkoord gaat met deze instellingen.

Sluiten