Môgge! – door Ben Voorend

/, Kort verhaal/Môgge! – door Ben Voorend

Môgge! – door Ben Voorend

Triiiiiiing!!

Klap! De man geeft een dreun op de wekker. Kledderdebengbeng… het rotding valt van het nachtkastje en zwijgt verder.
Hartje winter, kwart voor zes. Het is nog donker.
Buiten vriest het nog zeker een graad of tien, gaat er nog door zijn hoofd, zoiets zeiden ze gisteravond op het jour…zzzzzzzzzzzz.

‘Hé, mafkees! Word wakker. Je moet eruit! Het is al bijna zes uur.’ De elleboog van zijn vriendin in zijn zij doet hem pijn.
‘Au, mens!…maak je niet druk’, bromt hij, ‘ik ga al.’
Hij wurmt zich overeind. Hij zit op de rand van zijn bed en kijkt om.
Zij maakt zich helemáál niet druk, ziet hij. Zij heeft zich op haar buik gedraaid en slaapt alweer.
Lekker, zo’n kantoorbaantje, denkt hij.

Koud water in het gezicht moet maar even genoeg zijn. Zorgvuldig kamt hij zijn imposante snor. Hij pakt zijn gereedschapskoffer en rugtas met brood dat hij gisteravond al belegd had en zoekt, nog half slapend, zijn brommer op in de box onder de flat.
Hij moet vandaag de stad uit, naar een nieuwe klus. Gistermiddag heeft hij de route bekeken. Het zal minstens een half uur rijden zijn en misschien moet hij nog zoeken. Om zeven uur beginnen.

Hij opent de deur van de gang waar de boxen aan liggen. IJskoude snijdende wind slaat hem in het gezicht. Had hij dat geweten, dan had hij in de gang al zijn grijze gebreide wintermuts opgezet en zijn grote grijze wollen sjaal goed omgeslagen.
Zijn koude, stijve vingers hebben moeite om het benzinekraantje en de choke open te zetten. Na drie keer aantrappen pruttelt zijn Zündapp, onzeker, maar het motortje houdt vol. Hij trekt zijn gevoerde handschoenen aan en rijdt, met twee voeten op de grond, voorzichtig het gladde pad af naar de weg.
Daar is gelukkig al gestrooid. Het blijft nog wel uitkijken, maar je kan tenminste rijden.

Er is weinig verkeer. Na een tien minuten verlaat hij de stad en slaat het fietspad in naar het dorp waar hij naartoe moet. Gelukkig hebben die boeren hier ook gestrooid en alle lantaarnpalen geven licht. Dat is altijd maar afwachten buiten de stad, denkt hij vroegwijs.
Koplampen komen hem zwaaiend tegemoet. Een fietser.
Weggedoken onder zijn muts en achter zijn sjaal, mijmert hij koud maar comfortabel nietsvermoedend voort. Met toegeknepen ogen tegen de wind ziet hij vanonder zijn bevroren wenkbrauwen, hoe de fietser hem snel tegemoetkomt, de wind in de rug.
‘ôjje!’, roept de fietser bij het passeren.
???

Even verder wéér een koplamp. En bij het passeren wéér ‘ôjje!’
Ze laten ze hier wel vroeg los, denkt de man.
Dan weet hij de kreet te herleiden. ‘ôjje!’ betekent zoiets als ‘môgge’, de mensen groetten mij. Wat een idioten hier. Ik kén ze niet eens.
Daar komt weer een koplamp hem tegemoet. Even opletten. En ja hoor. Ook deze fietser groet met een ‘môgge!’, hoort hij nu duidelijk.
Dat is in deze contreien zeker de gewoonte? In de stad doe je dat niet, onbekenden groeten. Bij de volgende, neemt hij zich voor, zal hij óók groeten. Even oefenen. ‘Môgge!’, zegt hij in zijn sjaal. Nee, dat moet harder. ‘Môgge!’, ja. Dat is al beter. Nog een keer. ‘Môgge!’, dat klinkt ferm. Misschien iets te hoog nog. Nu wat lager. ‘Môgge!’, ja, dat is ‘m bijna. Alleen ook nog wat optimisme erin, wat levenslust, alsof je echt zin hebt in deze dag. ‘Môgge!’ Perfect! Hou vast. ‘Môgge! Môgge! Môgge! Môgge!, oefent hij.
De man krijgt er lol in. ‘Môgge! Môgge! Môgge! Môgge! Het lijkt wel een lied. ‘Môgge! Môgge! Môgge! Môgge!.’ Zijn hoofd schommelt ritmisch heen en weer.

Bij de volgende passerende fietser wacht de man niet af. Opgewekt groet hij de fietser met een ferm en levenslustig ‘môgge!’ vóór die zijn mond open kan doen. Maar deze tegenligger kijkt de man alleen maar nietszeggend aan en kijkt gewoon weer stug voor zich uit, bezig met zijn eigen gedachten.
‘Stik toch, kerel! Krijg de eeuwige rambam, eikel!’, foetert de man in zichzelf en kruipt terug in zijn stoïcijnse comfort zone achter zijn sjaal, waarop de in- en inkoude winterwind van zijn adem kristallen gevormd heeft en de eerste sneeuwvlokken van de dag hun vrieskoude smeltwater achterlaten op zijn onbeschermde jukbeenderen.

Hij heeft nóóit meer een vreemde begroet.

© Ben Voorend          27/07/2018

Wilt u reageren op dit bericht? Gebruik dan de optie ‘Geef een reactie’ hieronder.

NB
Uw mailadres, nodig om de reactie te versturen, wordt niet zichtbaar weergegeven en blijft expliciet alleen bekend bij het Nederlands Blog Initiatief. Hierop is de Algemene Verordening Gegevensbescherming van toepassing.

Uw reactie wordt niet direct weergegeven; deze wordt eerst beoordeeld door het Nederlands Blog Initiatief.

 

 

Door |2018-07-27T12:48:24+00:0027/07/2018|Ben Voorend, Kort verhaal|3 Reacties

3 Comments

  1. Erica 27/07/2018 om 16:49 - Antwoorden

    Heerlijk verkoelend verhaal Ben!

    • Ben Voorend 27/07/2018 om 22:18 - Antwoorden

      In heel Nederland is er geen ventilator of airco meer te krijgen. Dus dan maar een verkwikkend verhaal, dacht ik.

  2. Door 01/08/2018 om 16:04 - Antwoorden

    Hoezeer kan ik naar kou verlangen, dat had ik toch nooit gedacht! Fijn verhaal Ben.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Wij gebruiken cookies. Wijzig uw cookie-instellingen of klik op ‘Accepteren’ als u verder wilt gaan. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies' om u de beste surfervaring te bieden. Wilt u verder gaan op deze website, wijzig dan uw cookie-instellingen of klik op ‘Accepteren’ om aan te geven dat u akkoord gaat met deze instellingen.

Sluiten