Waar was jij? – door Erica van Vugt

/, Korte verhalen/Waar was jij? – door Erica van Vugt

Waar was jij? – door Erica van Vugt

Waar was jij?

Ik reis op mijn herinnering. Of dat ook de eindbestemming brengt? Niet dat ik niet zou weten. Ieder moment dat ik terugkeer, is het daar zoals het er altijd was. Ik sluit mijn ogen voor wat er toch verandert en hou in gedachten wat bleef.

Of dit mijn laatste reis wordt? Ik denk dat nu te weten. Alhoewel, mijn leven heeft al zoveel geschetst zonder dat ik de contouren ervan zag. Toch wil ik daar zijn, daar waar de klei ook mijn sporen diep heeft getrokken. Langs water dat verder kolkt dan de afgedamde stroom ooit zal kunnen dragen. De dagen in stilte ontwaken en nachten verleiden tot verdromen in mist. Daar ligt wat ik als kunst beschouw, verscholen. Soms ruw verstoord, maar altijd daar.

Niet langer wil ik proberen het hier en nu te bevatten. Elke dag verleiden bruggen om toch die ene overkant te betreden. Vooral Erasmus kan het niet laten. Ook al laat hij zich niet echt uit over mijn keuze om voor altijd weg te gaan of hier in nieuwgebouwde fantasieën te verblijven. Twijfel is ook nu mijn pad, als ik de brug oversteek. Toch wil ik stroomopwaarts daarheen. De plek waarheen ik ga, is voor mij niet nieuw. Ik ken het als geboren. Eenmaal daar graaf ik in stugge dijken mijn jeugd omhoog. Schrik van het water dat soms dreigend aan mijn lippen komt. Zie kikkers drillend in kleine kinderhanden, in sloten die vol groen verwuiven als de zon de akkers schroeit. Wanneer ik de oude zomers passeer, waar stranden in eb en vloed bewegen, klotst het blauw over mijn ziel. Ik duik in duisternis mijn verlangen terug. Kom boven in het zoet dat smaakt naar meer. Opnieuw schiet ik als een speer omlaag en grijp wat ik al die tijd wist te missen. Ik ben van ver gekomen, maar waar was jij?

Ik herhaal de vraag tegen de wind die alles verwaait wat is geweest. Jij bent slechts zichtbaar in de sporen die ik zelf keer op keer achterlaat in het rulle zand. Steeds hoop ik je hier weer te vinden. Teken je ogen met schelpen. Geef je armen en benen met het aangespoelde hout. Masseer de zwarte rivierklei tot hoe ik je ken. Lang en smal van lijf. Laat je haren grasrijk krullen. Je staat op, in mijn schaduw. Wie het eerst boven diep is, roepen we tegen elkaar. Jij bent de eerste, zoals altijd. Ik sta wat onhandig tot mijn navel in het te koele water. Je armen strekken zich over de blauwe vlakte uit, wuiven bij elke slag om met je mee te gaan.

Onverwacht draait de wind. Er is slecht weer op komst. De golven bewegen hoger en wilder. De wolken waaien donker en de vogels zwaaien in flarden. Ik roep je naam en gil: kom terug. Mijn echo gaat in al het geruis verloren. Jij bent al veel te ver gegaan. Veel verder dan ik in mijn kindertijd naar kon zwaaien. Terug bij de vloedlijn zie ik hoe je laatste golven als één vogel een schaduw slaan. Een spoor dat rimpelt verder… Verder dan die vertrouwde overkant.

Moe draai ik mij om. Weg van dat beeld. Een zachte bries maakt mijn hoofd weer vrij. Ik voel twee handen rusten op mijn schouders. De zo vertrouwde woorden kan ik dromen. ‘Ga je mee, zwemmen? Naar de andere kant? Je weet toch? We kunnen het. Hij heeft het ons lang geleden geleerd. Voor de dag dat… toen…’

Ik laat een snik, maar zie in jouw contouren de vrolijkheid van ons verleden. We rennen het water in en duiken samen alle zomers terug. Nat als twee jonge honden beklimmen we weer de zomerdijk. Verdromen blootsvoets over hoe we als geen ander een zijn, hier op deze plek, en tegen de stroom in weten waarom het zo moest gaan. De stroming die ons steeds verder brengt. Naar oneindig water, dat is wat ik nu nog wil. De noordoost in mijn haren met een laag zout op mijn hart, opgaan in een moment van niets. Kom, roep ik naar het meisje, waai met mij mee naar zee.

Het blijft doodstil. Haar lippen roeren bijna onzichtbaar de adem in en uit.

Ik zoek haar blik. Het meisje kijkt als vrouw mij aan. Haar ogen smeken mij te blijven. Ze pakt mijn hand en samen dansen we de herinneringen aan scherven en scheppen onze nieuwe werkelijkheid.

De zon straalt ondertussen laag over de dijk. Schittert het water in duizend sterren.

Ik blijf, zeg ik tegen mijn spiegelbeeld. Voor altijd hier.

 

©Erica van Vugt      10/12/2019

 

Wilt u reageren op dit bericht? Gebruik dan de optie ‘Geef een reactie’ hieronder.

NB
Uw mailadres, nodig om de reactie te versturen, wordt niet zichtbaar weergegeven en blijft expliciet alleen bekend bij het Nederlands Blog Initiatief. Hierop is de Algemene Verordening Gegevensbescherming van toepassing.

Uw reactie wordt niet direct weergegeven; deze wordt eerst beoordeeld door het Nederlands Blog Initiatief.

Door |2019-12-12T23:15:30+00:0012/12/2019|Erica van Vugt, Korte verhalen|0 Reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Wij gebruiken cookies. Wijzig uw cookie-instellingen of klik op ‘Accepteren’ als u verder wilt gaan. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies' om u de beste surfervaring te bieden. Wilt u verder gaan op deze website, wijzig dan uw cookie-instellingen of klik op ‘Accepteren’ om aan te geven dat u akkoord gaat met deze instellingen.

Sluiten